Architectuur | Ontwikkeling en standpunt deel 1

Verleden

Het denken over architectuur in analogie met de natuur en het wezen van de mens is geen nieuw verschijnsel, maar behoort tot de wortels van de architectuurgeschiedenis. Voor de traditionele architectuur waren natuur en mens de belangrijkste twee inspiratiebronnen, zij vormden de werkelijkheid waarin en waarvoor gebouwd werd.

Beide bezaten bovendien veelal een mythologische dimensie omdat men de overtuiging had dat ze door de godheid of de goden waren geschapen. Ze konden daardoor als ‘goddelijk model’ fungeren, als voorbeeld voor het menselijk bouwen. Door de goddelijke schepping als voorbeeld te nemen voor het bouwen trachtte men de menselijke cultuur in overeenstemming te brengen met de ordening in de wereld.

Deze traditionele architectuur wordt in veel gevallen gekenmerkt door een vanzelfsprekende relatie tussen het gebouw, zijn natuurlijke omgeving en het sociale leven dat zich erin afspeelt. Wat de harmonische relatie tussen gebouw en landschap betreft, speelt het gebruik van natuurlijke bouwmaterialen een belangrijke rol. Deze waren grotendeels afkomstig uit de directe omgeving en werden meestal maar weinig bewerkt. Daardoor bleef de band met hun natuurlijke oorsprong beleefbaar in het eindproduct. De relatie tot de gebruikers was verzekerd doordat mensen de gebouwen waarin ze leefden voor een belangrijk deel zelf bouwden. Over de hele wereld zijn prachtige voorbeelden van deze traditionele volksarchitectuur bewaard gebleven, zoals de lemen bouwwerken van de Dogon in Mali, de witte huizen op de Griekse Cycladen of de houten huizen van de Toradja’s in Indonesië.

Maar niet alleen de volksarchitectuur, ook bouwmeesters van representatieve gebouwen zoals tempels en kerken oriënteerden zich op de natuur en de mens. Tempels werden vaak beschouwd als ‘imago mundi’; beeld van de wereld. Zo was de bouw van een Egyptische tempel een rituele herhaling van de schepping van de wereld en bestond er een hechte relatie tussen de opbouw ervan en het Egyptische wereldbeeld. De vloer van de tempel representeerde de aarde en het dak de hemel. Aan deze hemel was in stralende kleuren de gevleugelde zonneschijf afgebeeld die als godheid zijn baan langs de hemel beschreef. Tussen hemel en aarde rijst de plantenwereld omhoog die is weergegeven in de vorm van papyrusbundelzuilen en lotusbloemkapitelen.

In de klassieke Griekse en Romeinse bouwkunst fungeren mens en natuur op een meer indirecte manier als inspiratiebron. Beide worden begrepen als levende organismen die door middel van maat en getal door de godheid geordend zijn. In analogie daarmee worden ook gebouwen als ‘organismen’ opgevat en geconcipieerd. Daarbij spelen compositie, geleding en vooral het proportioneren een belangrijke rol. De Romeinse bouwmeester Vitruvius beschrijft bijvoorbeeld gedetailleerd hoe gebouwen en kolommen geproportioneerd kunnen worden in overeenstemming met de maatverhoudingen van het menselijk lichaam.

Deze manier van denken heeft de architectuur tot ver na de Renaissance beheerst. Tekeningen van de Italiaanse kunstenaar Francesco di Giorgio Martini getuigen van zijn streven om de plattegrond van kerken en afmetingen van kolommen in analogie met het menselijk lichaam te proportioneren. Een dergelijke wijze van proportioneren werd gezien als een voorwaarde voor het bereiken van schoonheid. Maar ook religieuze overwegingen konden daarbij een rol spelen. Zoals de kerk tot beeld werd gemaakt van de mens, zo moest de mens tot ‘tempel’ worden waarin de geest kon wonen.

De analogie tussen architectuur en de natuur kon zover gaan dat gebouwen zelf als ‘levende’ of ‘bezielde organismen’ werden beschouwd. De Egyptische tempel werd bijvoorbeeld na voltooiing ritueel ‘tot leven gewekt’ opdat de godheid er haar intrek in kon nemen als in een levend lichaam. Dit soort bouwrituelen kwam wereldwijd voor, niet alleen in de tempelbouw maar evenzeer in de volksbouwkunst. Het doel ervan was het gebouw te transformeren van een opeenstapeling van levenloze bouwmaterialen tot een ‘levend’ of zelfs ‘bezield’ organisme. Pas daarna was het gebouw geschikt voor menselijke bewoning of religieuze doeleinden.

De vanzelfsprekende relatie tot de natuur en de mens maakt dat ook voor deze traditionele architectuur wel de term ‘organisch’ wordt gebruikt. Het zou echter onjuist zijn om de organische architectuur zoals deze aan het begin van de twintigste eeuw is ontstaan, te beschouwen als een regelrechte voortzetting van deze traditionele bouwwijzen. Hoe mooi en inspirerend deze ook kunnen zijn, deze behoren in de meeste gevallen tot voorbije tijden, culturen en bewustzijnsfasen.

Voor de moderne mens is de vanzelfsprekende relatie tot de natuur, de samenleving en de religie verloren gegaan. Het is belangrijk daarbij te bedenken dat deze vroegere verbondenheid niet het resultaat was van een vrije keuze, maar eenvoudigweg een gegeven was. Men beschikte uiterlijk noch innerlijk over de mogelijkheden om zich eraan te onttrekken. Bouwtradities werden van generatie op generatie overgeleverd en evolueerden slechts langzaam verder. Men groeide op binnen een beproefde traditie en zette deze voort. Het individu vormde niet zijn eigen bouwstijl, maar werd door de heersende traditie en bouwstijl gevormd.

Door de ontwikkeling van de natuurwetenschap, de mogelijkheden van de techniek en het individuele denken nam de gebondenheid aan deze plaatselijke bouwtradities af en won de individuele creativiteit aan terrein. Daarmee ging geleidelijk echter ook de vanzelfsprekende samenhang tussen mens, natuur en religie verloren. Het is de negentiende eeuw die een scharnierpunt in deze ontwikkeling vormt.

De veruiterlijking van de vorm in de negentiende eeuw

De architectuur van de negentiende eeuw wordt gedomineerd door twee stromingen die op het eerste oog diametraal tegenover elkaar staan, maar bij nader inzien wortelen in eenzelfde ontwikkeling. De academische bouwkunst van de ‘Beaux-arts’ wordt beheerst door de neostijlen. Deze maken een grote bloei door en brengen rijkversierde, soms zelfs overdadige, bouwwerken voort. Daarnaast komt de ‘ingenieursbouwkunst’ tot ontwikkeling, die imposante mogelijkheden op het gebied van technische constructies introduceert.

De belangstelling voor de neostijlen werd gevoed door een groeiend historisch bewustzijn. Al in de zeventiende en achttiende eeuw reisden kunstenaars en architecten naar Italië om zich daar te laten inspireren door de klassieke oudheid. In de negentiende eeuw kreeg deze interesse een nieuwe impuls doordat een begin werd gemaakt met archeologische opgravingen in landen zoals Griekenland en Egypte. Dit bracht niet alleen prachtige kunstschatten aan het licht, maar leverde ook nieuwe inzichten op over de kunst en architectuur uit de oudheid. De interesse hiervoor beperkte zich niet tot academische kringen, naar hield een breed publiek in haar ban. Met name voor kunstenaars en architecten vormden deze nieuwe ontdekkingen een rijke bron van inspiratie.

Het hoeft niet te verbazen dat de architectuur van de negentiende eeuw sterk door deze historische fascinatie is beïnvloed. Toonaangevende architecten zoals Karl Friedrich Schinkel, Leo von Klenze, Robert Smirke, Charles Pugin en Viollet-leDuc lieten zich door het verleden inspireren en gebruikten talloze historische stijlelementen voor hun eigen werk. Afhankelijk tot de periode waartoe men zich aangetrokken voelde, leidde dat tot een neoclassicistische, een neogotische of een neonrenaissancistische bouwstijl. Wanneer geen van deze stijlen voldeed, was het ook nog mogelijk stijlelementen uit verschillende perioden naar eigen inzicht met elkaar te combineren.

Het gevolg van een dergelijk willekeurig gebruik van stijlelementen was een verregaande veruiterlijking van de architectonische vormentaal. Vormen werden losgemaakt uit hun oorspronkelijke culturele context en toegepast in een totaal andere tijd en samenleving.

Terwijl deze fascinatie voor het verleden een hoge vlucht nam, vond tegelijkertijd een stormachtige ontwikkeling van de techniek plaats die juist een nieuwe toekomst leek aan te kondigen. Door de industrialisatie kwamen nieuwe bouwmaterialen zoals gietijzer en glas op grote schaal ter beschikking. Ook beton deed zijn herintrede en vond, dankzij de combinatie met wapeningsijzer, nieuwe toepassingen. Had het bouwen tot die tijd grotendeels op ambachtelijke ervaring gesteund, door de mechanica werd het mogelijk de benodigde afmetingen van constructies vooraf te berekenen. Vooral in nieuwe bouwopgaven zoals spoorbruggen, stationshallen en andere grote overkappingen vonden deze nieuwe technieken hun toepassing.

Hoewel deze technische prestaties veel indruk maakten, werd de ingenieursbouwkunst meestal toch niet representatief genoeg gevonden voor openbare gebouwen. Zelfs voor eigentijdse bouwopgaven zoals stations, die grote glazen overkappingen bevatten, viel men voor de voorgevel terug op neostijlen en eclecticisme. Haast alle negentiende-eeuwse stationsgebouwen zijn doortrokken van deze ambivalentie. Aan de voorzijde tonen ze een maatschappelijk geaccepteerd gezicht in de vorm van een classicistische, gotische of eclecticistische gevel, terwijl daarachter een grote overkapping schuilgaat van gietijzer en glas.

Het is deze ambivalentie, de frictie tussen vorm en inhoud en het ontbreken van een eigen stijl, die veel kunstenaars en architecten aanzetten tot het zoeken naar een nieuwe stijl, een stijl die moest passen bij de tijd.

Op zoek naar een nieuwe stijl

De ‘Arts and Crafts’ beweging, die rond 1860 in Engeland ontstond, was de eerste stroming die brak met dit gebruik van historische stijlelementen. Onder invloed van John Ruskin (1819-1900) en geïnspireerd door William Morris (1834-1896) zette men zich af tegen schadelijke effecten van de industrialisatie als wel tegen het gebruik van historische stijlelementen. In het tot leven wekken van  het kunstambacht  zagen zij een middel om te ontsnappen aan de smakeloosheid en onwaarachtigheid van de vormgeving van die dagen. De eenheid van ambacht, kunst en spiritualiteit zoals deze gedurende de middeleeuwen had bestaan, fungeerde daarbij als inspiratiebron. Het zoeken naar eenvoud en eerlijkheid weerspiegelde zich in de terugkeer naar ambachtelijke bouwtradities en het openlijke tonen van de constructie.

Het is de art nouveau of Jugendstil die rond 1890 als eerste nieuwe stijl uit dit zoeken naar nieuwe wegen voor architectuur en vormgeving geboren wordt. Kenmerkend voor de art nouveau is dat ze zich niet meer oriënteert op het verleden, maar haar inspiratie zoekt in de natuur en de menselijke creativiteit. De nieuwe bouwmaterialen gietijzer en glas worden veelvuldig toegepast en krijgen voor het eerst een kunstzinnige vormgeving. Net als in de ‘Arts and Crafts’ beweging vormt de natuur ook voor de art nouveau een belangrijke inspiratiebron. Sommige elementen zoals ranken, bloemen en insecten zijn haast letterlijk aan de natuur ontleend. In andere gevallen gaat het meer om een vrij vormgeving die verwantschap vertoont met de natuur, maar ontsproten is aan het gevoel van de ontwerper. Zo benadrukt Henry van de Velde dat hij de natuur niet wil nabootsen, maar op zoek is naar een natuurlijke vormgeving.

De hoge kosten die de bewerkelijke vormgeving van de art nouveau met zich meebracht, groeven rond 1910 langzaam haar graf. Het uitbreken van de Eerste Wereldoorlog in 1914 betekende het definitieve einde van deze esthetische droom.

De werkelijkheid waarin Europa na de Eerste Wereldoorlog ontwaakte, verschilde in velerlei opzichten ingrijpend van de periode ervoor. Niet alleen waren de staatkundigen en politieke machtsverhoudingen ingrijpend veranderd, ook aan nieuwe sociale problemen diende het hoofd te worden geboden. Eén daarvan was de huisvesting van grote groepen arbeiders. Het enige zinnige antwoord daarop leek een verregaande industrialisatie en standaardisatie, ook van de bouwpraktijk.
Het is het functionalisme, ook wel de Internationale Stijl genoemd, dat zich deze opgave tot taak stelde. Veel sterker dan de Jugendstil had deze stroming de onlosmakelijke relatie tussen architectuur en de sociaal-maatschappelijke werkelijkheid als uitgangspunt. In plaats van een streven naar schoonheid stelde het functionalisme het praktische gebruik, de functie centraal. Dit gebruik werd vooraf geanalyseerd en vormde vervolgens de basis voor het ontwerp van de plattegronden.

Met de oprichting van de CIAM (Congrès de Internationaux d’Architecture Moderne) in 1928 kreeg de beweging vaste vorm en ontstond een ideaal platform dat een grote invloed zou hebben op de twintigste-eeuwse architectuur en stedenbouw. Al in de oprichtingsverklaring van La Sarraz (Zwitserland) werd gepleit voor het herstellen van de relatie tussen de architectuur en de sociaal-maatschappelijke werkelijkheid, het gebruik van moderne bouwmaterialen en voor een rationalisatie en standaardisatie van het bouwen.

Eén van de initiatiefnemers van de CIAM was de van origine Zwitserse Charles Edouard Jeanneret Gris, beter bekend als Le Corbusier (1887-1965). Al vanaf het begin van de jaren twintig zette hij zich, door middel van geschriften en ontwerpen, in voor een nieuwe architectuur. Vanzelfsprekend diende deze zich te bevrijden van overgeleverde stijlelementen. Het gebruik en de plattegrond vormden de enige gezonde uitgangspunten voor het ontwerp.

Een intrigerend aspect bij dat alles is zijn voorliefde voor geometrische vormen. Voor een deel laat deze zich verklaren doordat ze enkelvoudig zijn en de nagestreefde breuk met het verleden ondubbelzinnig tot uitdrukking brengen. Ook past hun abstracte karakter goed bij een rationele benadering van het bouwen. Toch is daarmee niet alles verklaard. Wat uit Le Corbusiers geschriften naar voren komt, is vooral dat hij deze als de zuiverste en mooiste vormen beschouwde. Ze zijn zowel voor het oog als voor de geest de volmaaktste. De functionele benadering van het bouwen, kleedt zich in een geometrische vormgeving zonder dat deze voor de functie de meest geëigende hoeft te zijn.

Het is Hugo Haring die al tijdens de eerste CIAM bijeenkomst in La Sarraz hier de vinger op legt en pleit voor een vormgeving die werkelijk uit de functie voortkomt.

De bekende uitspraak van Louis Sullivan de hierop volgde, ‘Form follows function’, illustreert deze gedachtegang.

Vergelijken wij de vormgeving en benadering van de art nouveau met die van het functionalisme, dan valt op dat deze haast een polair karakter hebben. De art nouveau wordt gekenmerkt door het gebruik van vloeiende vormen en een rijke decoratie. In het functionalisme daarentegen wordt hoofdzakelijk gewerkt met geometrische vormen die meestal zonder enige versiering worden toegepast. Terwijl in de Jugendstil vormen in elkaar overgaan en grenzen lijken te vervagen, worden in het functionalisme vormen van elkaar onderscheiden en soms zelfs in elementen uiteengelegd.

Deze polaire uitdrukkingsvormen vloeien voort uit de verschillende bronnen waaruit beide stromingen hun inspiratie putten. De Jugendstil lijkt vooral te putten uit het gevoel en van daaruit te streven naar een esthetische, behagende vormgeving. Daarbij blijft de rijke versiering veelal decoratief en heeft deze weinig of niets te maken met de functie. Het functionalisme gaat juist uit van het denken en probeert door een rationele benadering te komen tot functionele oplossingen. Daarbij wordt gebruik gemaakt van geometrische vormgeving die eveneens tamelijk losstaat van de functie.

Te midden van deze beide stromingen ontstaat ook de organische architectuur. Met de Jugendstil heeft deze gemeen dat ook voor haar de natuur als een inspiratiebron functioneert. Deze wordt echter niet gebruikt voor het toevoegen van ornament, maar als een achterliggend principe om tot vorm te komen. Met het functionalisme heeft ze het centraal stellen van de functie gemeen. In plaats van deze in een uniforme, geometrische vormentaal te kleden, wordt echter gezocht naar de vorm die past bij het wezen van de bouwopgave en daar de uitdrukking aan verleent.

Nog minder dan de art nouveau of het functionalisme is de organische architectuur een samenhangende stroming met eenduidige uitgangspunten. Zowel wat de achterliggende principes als de toegepaste vormen betreft, bestaan er grote verschillen tussen haar vertegenwoordigers.

This entry was posted on zondag, maart 14th, 2010 at 17:34 and is filed under Artikelen, Publicaties. You can leave a response, or trackback from your own site.

Laat een bericht achter




  • « Older Entries
  • Newer Entries »