Architectuur | Ontwikkeling en standpunt deel 2
Heden
De architectuurstromingen die aan het begin van de twintigste eeuw min of meer tegelijk zijn ontstaan zoals de Jugendstil, het expressionisme en tot op zekere hoogte zelfs het functionalisme, hebben aan het begin van de eenentwintigste eeuw geen actualiteitswaarde meer. De tijd waarin wij leven, verschilt fundamenteel met de periode voor de Eerste Wereldoorlog dat niets uit die tijd nu nog geldigheid lijkt te bezitten. De toegepaste bouwtechnieken, de economie, de sociale verhoudingen, maar ook het hele architectuurdebat hebben een heel ander karakter gekregen.
Van de hoge idealen en gedrevenheid die de kunst en architectuur aan het begin van de twintigste eeuw bezielden, is zo goed als niets meer over. De discussies over stedenbouw en architectuur hebben een veel pragmatischer karakter gekregen. Het geloof dat architectuur zou kunnen bijdragen aan een betere wereld, of in elk geval een rechtvaardiger samenleving, is grotendeels verdwenen. En ook de vraag naar de betekenis van architectuur lijkt haar relevantie te hebben verloren. Het is de ontwikkeling van de techniek die ons in deze luxe positie heeft gebracht, die grote groepen mensen heeft bevrijd van hun materiële zorgen en voor een ongekende welvaart heeft gezorgd.
De dominantie van de techniek in de moderne samenleving heeft echter nieuwe vragen opgeroepen en onvoorziene problemen doen ontstaan. Zo worden wij geconfronteerd met een wereldwijde ecologische crisis, met een toenemend beslag dat de mobiliteit legt op de buitenruimte, met een steeds grotere invloed van technologie en media op het innerlijk leven van mensen, met de vraag naar de plaats van het individu in een geprefabriceerde samenleving en de noodzaak te zoeken naar nieuwe waarden en inhouden.
De ‘chaos’ die nu ontstaat, komt ongeveer vanaf de jaren zeventig tot weerspiegeling in het bouwen. De aanhangers van het zogenaamde deconstructivisme, wat er van uit gaat dat de maatschappij verwarrend en onzeker is, brengen dit tot uiting in hun architectuur en benadrukken dit gegeven. Deze stroming zet zich af tegen het rationalisme en is van mening dat de functie de sfeer van het gebouw bepaalt.
Rond dezelfde tijd groeit de aandacht en zorg voor het milieu. Met name na de energiecrisis van 1973 is men bewust geworden van het feit dat we niet op dezelfde voet verder kunnen. Vanuit de zorg voor het milieu ontstaat een ingrijpende opgave waar de bouw vandaag de dag nog steeds voor staat. Namelijk het ombuigen van de gehele bouwproductie in de richting van een energiezuiniger en meer ecologische manier van bouwen. Het zogenaamde ‘duurzaam bouwen’ kan niet langer een aangelegenheid blijven van een kleine groep idealisten maar zal door de milieuproblematiek gedwongen moeten worden tot een uitgangspunt voor al het bouwen. Hierbij gaat het dan niet om een toegevoegd aspect maar om een integraal onderdeel dat het noodzakelijk maakt om het hele bouwproces, inclusief infrastructuur en ondersteunende technieken, fundamenteel te doordenken. Dit alles impliceert een andere manier van denken waarbij het niet langer uitsluitend gaat om het gebouw als autonoom object. Ecologisch bouwen vraagt om het ontwikkelen van bewustzijn voor samenhang. Het gebouw kan ook niet langer als een statisch object beschouwd worden, maar moet in relatie tot dynamische energie- en materialenkringlopen bekeken worden.
Een tweede aandachtsgebied die ontstaan is, is de zorg voor de menselijke gezondheid. Recente onderzoeken maken duidelijk dat de vraagstukken die hier spelen niet onderdoen voor de milieuproblematiek.
Verbeteringen in de bouwtechniek hebben er voor gezorgd dat wij veel comfortabeler wonen dan vroeger het geval was. Gebouwen zijn betere geïsoleerd en het binnenklimaat is naar wens te regelen. In veel opzichten wonen wij dan ook ‘gezonder’ dan onze voorouders. Toch is het binnenklimaat er niet in alle opzichten op vooruit gegaan. Nieuwe bouwmaterialen, de introductie van kunststoffen, het gebruik van synthetische verven en allerlei technische installaties zorgen ervoor dat het binnenklimaat van gebouwen vaak veel ernstiger vervuild is dan de buitenlucht. Kunststoffen en synthetische verven dampen soms nog jarenlang oplosmiddelen uit. Ook verwarmingsinstallaties en airconditioning kunnen bijdragen aan een ongezond binnenklimaat. Daar komt nog bij dat betere isolatie en kierdichting de natuurlijke ventilatie sterk gereduceerd hebben. Dat alles kan leiden tot het zogenaamde sickbuildingsyndroom, een verzamelterm voor gezondheidsklachten, bijvoorbeeld irritatie van de luchtwegen, hoofdpijn en vermoeidheid, die veroorzaakt worden door gebouwen. Uit diverse onderzoeken van onder andere het RIVM (Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieuhygiëne), de landbouwuniversiteit Wageningen en diverse GGD’s is gebleken dat binnenlucht van gebouwen, voornamelijk woningen, vaak sterker vervuild is dan de buitenlucht, soms tot vier keer toe; in meer dan 30% van de gevallen wordt de situatie als schadelijk voor de gezondheid beschouwd.
Dit maakt het onder andere noodzakelijk de zorg voor de menselijke gezondheid opnieuw tot een uitgangspunt voor het bouwen te maken. De stroming die zich daarvoor inzet is het biologisch bouwen of de bouwbiologie. Deze benadering gaat vaak samen met een grote zorg voor het milieu en wordt er gesproken van bio-ecologisch bouwen.
Net als ecologisch bouwen vraagt ook het gezond bouwen om een opnieuw doordenken van het gebruik van bouwmaterialen, gebouwconcepten en vooral installatietechnieken. De achterliggende vraag daarbij is hoe het gebouw een gezonde wisselwerking tussen het menselijk organisme en de natuurlijke omgeving kan ondersteunen.
Het kan daarbij helpen het gebouw en de zich daarin afspelende levensprocessen zelf als een organisme te beschouwen. Daarmee wordt als vanzelf de blik gericht op de verschillende processen die zich in het gebouw afspelen en hun onderlinge samenhang. Zo wordt de buitengevel van een gebouw vaak aangeduid als onze ‘derde huid’. Maar zelden echter wordt een gevel zo geconcipieerd dat hij ook daadwerkelijk als zodanig kan functioneren. De menselijke huid sluit namelijk niet alleen af, maar ‘ademt’ en reguleert de verhouding tussen het organisme en de buitenwereld. In de bouwbiologie worden dan ook ‘ademende wanden’ gemaakt waardoor vocht en schadelijke stoffen het gebouw kunnen verlaten. Zo kunnen ook de ventilatie en verwarming doordacht worden in relatie tot het functioneren van het menselijk organisme.
Op het eerste oog heeft dit alles weinig met vormgeving te maken. Deze ‘nieuwe’ vormen van bouwen kenmerken zich tot nu toe dan ook niet door een bepaalde stijl. Sommige voorvechters ervan grijpen terug op de voorbeelden uit de traditionele architectuur, toen het bouwen nog dicht bij de natuur stond. Anderen, zoals de Engelse architect Sir Norman Foster, benutten juist de nieuwste technische mogelijkheden om daarmee energiezuinige gebouwen te maken. Daarnaast bestaat een stroming die er juist naar streeft om natuurlijke elementen zoals water, zonlicht en planten te integreren in gebouwen.
De relatie tussen ecologie en de organische vormgeving is omstreden. Organische architectuur is wel verweten niet milieuvriendelijk te zijn omdat meer afval wordt geproduceerd door schuine hoeken en ronde vormen. Voor zover deze kritiek al terecht is, staat daar iets anders tegenover. Wanneer men het denken dat aan het ecologisch bouwen ten grondslag ligt in de vormgeving tot uitdrukking zou willen brengen, komt men haast onvermijdelijk uit op principes die verwant zijn aan de organische architectuur. Het is immers een uitgangspunt in de organische architectuur dat een gebouw zijn vorm krijgt in relatie tot zijn omgeving.
This entry was posted on vrijdag, maart 19th, 2010 at 12:55 and is filed under Artikelen, Publicaties. You can leave a response, or trackback from your own site.



Laat een bericht achter